Enlarged version: challenges to comprehension
Home/Search
Documents  >>
Themes  >>
Visuals  >>
Context  >>
FAQ/Contact  >>

Joy in the Present
      

1973

De Interorganisationele Betrekkingen

op zoek naar een nieuwe stijl

- / -


Gepubliceerd in: De Nieuwe Open Samenleving: Eeen beschouwend Seminarie ovr de toekomstige rol van het net van internationale verenigingen (een seminarie in Milaan van de Unie der Internationale Verenigingen). Brussel, UIA, 1973, pp. 144-167. Ook in English, Français, Espagnol, Italiano, Deutsch.
I. Wijze van Vergaderen
II. Gemeenschappelijke Uitrustingen
III. Informatie en Communicatie
IV. Nieuwe Organisatietypes
V. Wijzigingen in de Intergouvernmentele Secretariaten
VI. Wettelijke Erkenning der Internationale Niet-Gouvernementele Organisaties
VII. Sociale Erkenning

Wanneer wij de praktische wijzigingen met het oog op de toekomstige actie der organisaties willen vastleggen, moeten we met volgende punten rekening houden (De Principes van de Transnationale Actie) :

  1. Een belangrijke herstructurering van de relaties tussen de organisaties zal blijkbaar alleen maar mogelijk zijn, wanneer die door de eerstvolgende belangrijke sociale crisis wordt versneld.
  2. De concentratie van de middelen der organisaties is wenselijk, ongetwijfeld, maar zij mag niet leiden tot een gecentraliseerde coördinatie.
  3. Telkens wanneer het mogelijk is, zouden georganiseerde contacten moeten vervangen worden door informatiecontacten.
  4. Het engagement in de vorm van participatie bij de vormgeving der programma's moet in de plaats komen van de gemobiliseerde steun aan de uitvoering van deze programma's.
  5. De strakke organisatiewijze moet vervangen worden door een meer soepele organisatie.
  6. Er moet meer belang gehecht worden aan de sociale werkelijkheid, dan aan de administratieve en werkelijke functies.
  7. De vergaderingen van NGO-vertegenwoordigers moeten niet meer zo beschouwd worden, als zou een consensus moeten bereikt worden in de plenaire vergadering, want het gebeurt maar zelden dat een afgevaardigde van zijn NGO een mandaat tot engagement in een specifieke actie krijgt. Op die basis kunnen volgende suggesties worden gedaan, met het oog op de actie in de toekomst.

I. Wijze van Vergaderen

Voorstel van « meervoudige congressen » (Zie Associations Internationales, 1971, 6, p. 354-359.)

Commissies, die gelijktijdig met en parallel aan de meerdaagse vergaderingen van organisatieafgevaardigden plaatsvinden. Op dit ogenblik maken deze groepen gewoonlijk deel uit van de gewone structuur van een door een Uitvoerend Comité georganiseerd congres, waarvan de procedure en onderwerpen van tevoren werden vastgelegd. Dit vergemakkelijkt de niet van tevoren afgesproken officieuze contacten tussen de aan het congres deelnemende organisatieafgevaardigden zeker niet. Meestal is men het er vandaag over eens, dat dergelijke contacten vaak het meest vruchtbare gevolg van grote congressen zijn.

Bij wijze van relatief eenvoudige wijziging van de procedure, waarvoor geen enkele « massale reorganisatie van de structuur » van de relaties tussen de organisaties nodig is, zou bet mogelijk zijn op dezelfde plaats en in dezelfde periode verscheidene vergaderingen van organisatieafgevaardigden te organiseren, i.p.v. die op verschillende plaatsen en verschillende tijdstippen te beleggen. M.a.w., zonder dat zij door de procedure aan elkaar worden gekoppeld, zou het mogelijk zijn dat vergaderingen en zittingen van verschillende congressen in hetzelfde gebouwencomplex zouden plaatsvinden, zoals nu meestal reeds gebeurt, voor vergaderingen van groepen van een zelfde congres (m.a.w., in naast elkaar gelegen vergaderzalen, maar met dezelfde ontvangstsalons en gemeenschappelijke koffiekamer).

De enige band die tussen deze congressen nodig is, zou een contactcomité zijn, dat de diverse lokalen toewijst. Op die manier worden de talrijke politieke en procedurele moeilijkheden vermeden, die normaal ontstaan, wanneer gelijkaardige contacten worden voorgesteld. Een dergelijk « meervoudig congres » lijkt het geschikte middel voor het vergemakkelijken van de contacten tussen :

  • de Conferentie der Niet-Gouvernementele Organisaties met raadgevend statuut bij de Economische en Sociale Raad der Verenigde Naties (500 mogelijke organisaties).
  • De Conferentie der Internationale Niet-Gouvernementele Organisaties, die genieten van een consultatieve regeling met de UNESCO (potentieel van 200 organisaties).
  • Het Comité der Niet-Gouvernementele Organisaties bij de UNICEF (potentieel van 80 organisaties).
  • De Conferentie der Internationale Organisaties voor de gemeenschappelijke bestudering van de actieprogramma's op het gebied van de landbouw in Europa (potentieel van 100 organisaties).
  • De Wereldvergadering der NGO, die betrokken zijn bij de globale milieuproblematiek (ten minste 300 organisaties) en andere dergelijke organen.

Men merkt een aanzienlijke overlapping van leden en belangen tussen deze instellingen (3).

Voordelen

1) Met deze handelwijze worden de mogelijkheden voor officieuze contacten tussen de organisatieafgevaardigden vergroot, zonder dat de officiële relaties in het gedrang komen of enige andere beperking inzake procedure wordt veroorzaakt. Dergelijke contacten zijn een zeer efficiënte methode voor het uitwisselen van informatie en leiden tot meer « ad hoc »samenwerking tussen de kleine organisatiegroepen in gemeenschappelijke belangensectoren. Op die manier ontstaat uiteindelijk een vorm van zelfcoördinatie.

2) De afgevaardigden, die de vergaderingen en bijeenkomsten van een congres bijwonen, krijgen de kans om aanwezig te zijn op de vergaderingen en groepsbesprekingen van elk ander congres, dat terzelfdertijd plaatsvindt. Daar dezelfde afgevaardigde vaak verantwoordelijk is voor de contacten van zijn organisatie met verschillende congressen, wordt zijn taak aldus aanzienlijk verlicht.

3) In bepaalde gevallen wordt aldus vermeden dat twee vergaderingen over hetzelfde onderwerp worden gehouden (b.v. uiteenzettingen over de ontwikkeling, milieuproblematiek, vrede, enz...). De gedelegeerden kunnen dan een gemeenschappelijke vergadering bijwonen. Dit betekent een echte besparing op de onkosten.

4) De afgevaardigden van organisaties uit verafgelegen landen kunnen aldus de kosten voor hun deelname aan de diverse congressen, waarvoor hun organisatie heeft ingeschreven, beperken. Dit is bijzonder belangrijk voor de afgevaardigden uit de ontwikkelingslanden.

5) Vergaderingen over een bijzonder onderwerp, los van het specifieke thema van de officiële congressen, kunnen eveneens in hetzelfde kader en op hetzelfde ogenblik ingericht worden. Op die manier worden de meervoudige congressen een nuttige en praktische gelegenheid om ook andere zaken te bespreken met de afgevaardigden van andere organisaties. Het meervoudig congres is een forum of een agora voor de organisaties, met alles wat dit betekent inzake communicatie en dynamisme.

6) De kaderleden van de intergouvernementele organisaties zullen ook tot de bevinding komen dat de meervoudige congressen evenveel gelegenheden vormen, voor het leggen van contacten met internationale niet-gouvernementele instellingen, in een omgeving zonder strakke structuren, waarin de mogelijkheid voor nuttige officiële contacten kan onderzocht worden. Op deze manier worden de reiskosten op de meest efficiënte manier gebruikt.

7) Nieuwe congressen kunnen georganiseerd worden, die in hetzelfde algemeen kader zouden vergaderen (o.m. voor de organisaties, die contacten onderhouden met de intergouvernementele instellingen, waarvoor geen congressen bestaan). Het zou zelfs interessant kunnen zijn « hoorvergaderingen » te beleggen, tussen intergouvernementele comité's en NGO, tijdens de meervoudige congressen.

8) Door de betekenis en de dynamiek van het congres krijgt de internationale niet-gouvernementele actie veel meer publiciteit en kunnen groepen, die er tot nog toe geen belang in stelden, eraan deelnemen. Het congres zou eveneens kunnen functioneren als neutrale ontmoetingsplaats voor afgevaardigden van internationale instanties en afgevaardigden van nationale instanties met een internationaal programma.

Voorbeeld

Een aantal internationale organisaties houden congressen, waarop minder belangrijke organisaties elkaar ontmoeten. Het meest frappante voorbeeld hiervan is misschien wel dat van het jaarlijkse congres van de Amerikaanse Vereniging voor de Vooruitgang van de Wetenschap (American Association for the Advancement of Science), in de loop waarvan 39 andere organisaties vergaderingen houden (in 1971). Zowat tienduizend wetenschapslui (beroepsmensen en belangstellenden uit het grote publiek) schrijven zich hiervoor in en zijn aanwezig op enkele van de 150 groepsveranderingen over 49 onderling verwante onderwerpen. Hierop worden ongeveer 700 uiteenzettingen gehouden. In dit kader voeren internationale bekendheden uit de wereld van wetenschap en politiek het woord, tijdens de algemene vergaderingen.

II. Gemeenschappelijke Uitrustingen

Voorstel voor « transnationale centra » ( Zie Associations Internationales, 24, 1972, 3, p. 151-154, p. 155-157.)

Zowel in de hoofdsteden der ontwikkelde landen als in die der ontwikkelingslanden zijn de kantoren der internationale niet-gouvernementele organisaties meestal zodanig verspreid, dat het reëel contact tussen verantwoordelijken der organisaties niet zo vaak plaatsvindt. De organisaties beschikken vaak slechts over armzalig ingerichte en uitgeruste lokalen.

In bepaalde steden, zoals New York, Genève en Parijs, zijn een aantal organisaties samen in één zelfde kantoorgebouw gevestigd. Zij gebruiken al dan niet gemeenschappelijk, de vergaderzaal, het restaurant, de onthaaldienst, de bibliotheek, enz... Deze formule biedt ongetwijfeld een veelbelovend model voor de toekomst.

Wij dachten dat het nodig was de bouw van dergelijke « transnationale centra aan te moedigen en administratieve technieken uit te werken voor het economisch gemeenschappelijk gebruiken van bepaalde lokalen en uitrustingen.

Voordelen

1) Dank zij dergelijke centra krijgen de belangrijkste steden een concentratie van deskundigen op internationaal niveau — een « kritische massa » van personen, uit wier wisselwerking nieuwe programma-ideeën kunnen ontstaan en die niet specifiek geëngageerde middelen aantrekt.

Zoals bij de « meervoudige congressen », zijn de organisaties die de lokalen gemeenschappelijk gebruiken, niet verplicht onderling ojjiciële relaties te onderhouden. Er bestaat echter een maximum aan officieuze contacten, zodat zo nodig vruchtbare arbeidsbetrekkingen kunnen tot stand gebracht worden.

2) Er is geen enkele reden waarom de kantoren uitsluitend voorbehouden zouden worden aan de niet-gouvernementele organisaties. Hetzelfde centrum kan even goed onderdak verlenen aan organen, die op het ogenblik eveneens over de hele stad verspreid zijn, zoals :

  • de voorlichtingsdiensten van de UNO en de gespecialiseerde UNOinstellingen in de ontwikkelingslanden, de vertegenwoordigers van de Verenigde Naties, die verantwoordelijk zijn voor de coördinatie van de internationale activiteit in dat bepaalde land. Dit vergemakkelijkt de wisselwerking tussen IGO en INGO en verzekert een optimaal gebruik van de UNO-gegevens, vooral wanneer een geïntegreerde informatiebibliotheekdienst, samen met de INGO, kan uitgebouwd worden. Op die manier wordt een einde gemaakt aan de gebruikelijke tendens om niet genoeg gebruik te maken van de voorlichtingsdiensten, waardoor deze dan ook niet efficiënt werken.
  • nationale Commissies van de UNESCO en andere agentschappen.
  • nationale NGO met internationale activiteiten.
  • nationale inter-NGO-organisaties. Aldus is een betere wisselwerking tussen de nationale en de internationale niveaus mogelijk.
  • stichtingen, die bij de internationale activiteiten betrokken zijn; dit leidt tot een beter begrip tussen de instanties die de middelen verschaffen en de programma-uitvoerders.
  • nationale instituten voor internationale betrekkingen (en hun bibliotheek) om de wisselwerking tussen de academische en de operationele programma's te vergemakkelijken.
  • internationale persagentschappen, zowel in hun hoedanigheid van informatiemedium, als als middel om de NGO en hun programma's meer bekendheid te verlenen.
  • voorlopige bureaus van de comité's, die instaan voor de activiteiten betreffende officiële internationale jaren en dagen (bij voorbeeld van de rechten van de mens, de bevolking, geestesgezondheid, enz...).
  • het centrale punt in de stad voor de verbroedering met de andere steden van andere landen (zustersteden).
  • tijdelijke bureaus en installaties voor het centraliseren van de hulpverlening bij een ramp in het land of voor het verwerven van dergelijke hulp, om hulp te bieden aan een ander land, dat door een ramp werd getroffen.
  • verenigingen der Verenigde Naties, nationale of stedelijke verenigingen, UNESCO-clubs en andere.

3) De idee van een transnationaal centrum is bijzonder interessant, want de concentratie der activiteiten zou het oprichten vergemakkelijken van organen die in een bepaald land nog niet bestaan (bij voorbeeld de oprichting van Voorlichtingsbureaus van de Verenigde Naties in de ontwikkelingslanden), waar het, zonder de steun van een dergelijke omgeving, moeilijk zou zijn om hen in stand te houden.

4) Een grote verscheidenheid aan diensten kunnen gemeenschappelijk worden gebruikt, volgens verschillende formules (Social Work Advisory Service. A Study into the Feasibility of Establishing an Administrative Centre for a Group of Voluntary Organizations. (Raadgevende Dienst voor Social Actie. Een Studie over de mogelijkheid tot oprichting van een administratief centrum voor een groep van vrijwilligersorganisaties), Londen, 1970 (samenvatting in Associations Internationales, 1972, p. 155-157).), waarvan sommige vooral interessant zijn voor organisaties die de kantoren niet permanent en full time nodig hebben. Hierbij vinden wij o.m. :

  • de tijdelijke kantoren, die worden ingenomen, op uurof dagbasis, door kleine organisaties, die slechts een part time-secretariaat nodig hebben of door afgevaardigden op bezoek, van in andere landen gevestigde organisaties.
  • de brievenbussen voor de correspondentie van organisaties, die geen permanent kantoor, maar wel een vast postadres nodig hebben.
  • het gemeenschappelijk gebruik van modern en kwalitatief hoogstaand kantoormaterieel (duplicator, offset, fotocopiemachines, adresseermachines, boekhoudmachines, frankeermachines, enz.), waarvan het gebruik door één enkele organisatie niet economisch uitvalt.
  • diensten, die gemeenschappelijk kunnen zijn, dank zij de aangewezigheid van verscheidene NGO in een zelfde gebouw (telefooncentrale voor « conferentiemededelingen », receptie, bodes, cafeteria-restaurant, reisagentschap, bankpostkantoor, telefoon-antwoorddienst, telex, receptie/ leeszaal, bibliotheek, fototheek, branden diefstalbeveiligde kluis voor de dossiers, enz ...).
  • de gemeenschappelijke diensten, die onder contract kunnen werken voor de geïnteresseerde NGO-groepen (verzendingsdienst voor de correspondentie, boekhouding, drukkerij, dactylografie voor copieën, dactylografie van op band vastgelegde brieven, schoonmaakdiensten, secretariaatsadministratie, part time gebruik van een computer voor « mailing » en onderzoek, verkoopsen distributiediensten voor publicaties, gegroepeerde aankoop van kantoormaterieel en andere, enz ...).
  • gebruik van de diensten van beroepsmensen (boekhouders, advokaten, fiscale raadgevers, vertalers, tolken, inrichters van congressen, fondsverzamelaars, agenten voor het werven van betaalde reclame in de NGO-tijdschriften, openbare zaakgelastigden, persen voorlichtingsdiensten, bibliothekarissen, redacteurs, consulenten inzake opleiding, organisatie of uitvoering van programma's voor NGO, consulenten inzake regeringsbetrekkingen, enz...).
  • gemeenschappelijke adressen voor de verspreiding van tijdschriften of uitgaven voor de verkoop (bij voorbeeld congresverslagen aan de agentschappen der Verenigde Naties of publicatielijsten voor de bibliotheken) of voor het organiseren van een net van agentschappen en de financiële middelen om hulp te verlenen bij een natuurramp.
  • de collectieve of gemeenschappelijke representatiediensten, vooral voor het oplossen van het probleem van de gepaste vertegenwoordiging der NGO op de vergaderingen van de UNO-agentschappen, waarbij zij een raadgevend statuut hebben (dit lijkt sterk op het soort representatie van een land door de diplomatieke diensten, bij de diverse ministeriële departementen, de commerciële bedrijven, de culturele verenigingen, enz...). Het is ook nodig te zorgen voor een effectieve wederzijdse informatie in de « gangen ». Deze diensten zouden eveneens, op basis van wederkerigheid, ter beschikking kunnen gesteld worden van NGO die geen kantoren hebben in andere steden.
  • gemeenschappelijke vergaderzalen met simultaanvertaling en audiovisuele uitrusting.

5) Sommige van deze diensten zouden kunnen werken volgens de beproefde formule van de « coöperatie ». Op te merken valt dat, hoe meer de organisaties bepaalde diensten gemeenschappelijk gebruiken, des te meer zij hun algemene kosten verminderen, terwijl ze aldus geld besteden aan de coöperatie zelf, dat normaal naar de commerciële sector gaat, zodat de coöperatie het geheel der aldus gegroepeerde NGO ten goede komt (bij voorbeeld de middelen die door de NGO uitgegeven worden in hun eigen cafeteria/restaurant). Er bestaat geen enkele reden waarom het bestaan der coöperatie niet aan de basis zou liggen van een aantal andere diensten :

  • gemeenschappelijk gebruik van enkele personeelsleden tijdens de vakantieperiodes.
  • gemeenschappelijke maatschappelijke verzekering en pensioenregeling voor het personeel van het secretariaat en andere diensten, dat anders geneigd is elders werk te zoeken, waar een grotere zekerheid op lange termijn bestaat.

6) Er is geen reden, waarom het centrum, als coöperatie, geen akkoorden zou kunnen afsluiten met andere transnationale centra uit vreemde landen, om volgende zaken te vergemakkelijken :

  • de mobiliteit der organisatie-secretariaten en het oprichten van regionale of hulpbureaus.
  • de mobiliteit van het personeel en vooruitgang op professioneel gebied, zonder dat dit een vermindering van het financiële inkomen betekent.
  • de operationele contacten (bij voorbeeld telexverbindingen) om de coördinatie te vereenvoudigen van de in verschillende centra (bij voorbeeld New York en Genève) of tussen internationale centra en hun nationale evenknieën gelanceerde activiteiten.

7) Het transnationaal centrum lijkt een bijzonder nuttig middel om de wisselwerking en de programma-coördinatie tussen de instellingen der ontwikkelingslanden, die belang hebben bij een centralisatie van de internationale hulp aan hun land, te vereenvoudigen.

8) Het transnationaal centrum betekent voor het grote publiek een zichtbaar symbool van de realiteit der internationale actie. Te dien einde, kunnen permanente tentoonstellingen, filmvoorstellingen en voor het publiek toegankelijke bibliotheken met tijdschriften van internationale strekking, op een nuttige wijze de publieke belangstelling stimuleren, zowel in de ontwikkelingslanden als in de ontwikkelde landen. Het geleid bezoek aan het gebouw der Verenigde Naties te New York en te Genève kan een zeer interessante invloed hebben op de mening der mensen. Iets gelijkaardigs kan in andere landen eveneens zeer interessant blijken te zijn, vooral als middel om de individuen belangstelling bij te brengen voor de internationale activiteit, waaraan zij rechtstreeks kunnen deelnemen.

Voorbeeld

Het beste voorbeeld van een internationaal centrum is het Internationaal Varembé-Centrum, tegenover het Paleis der Naties te Genève, dat de kantoren herbergt van zowat 20 internationale organisaties. Nochtans werd slechts weinig ondernomen, om te komen tot een gemeenschappelijk gebruik van de andere lokalen (bij voorbeeld vergaderzalen) en het materieel, evenals om dit centrum uit te bouwen tot een plaats van officieuze contacten, los van het complex der Verenigde Naties.

Meer richtgevend voor de evolutie in de toekomst is het huidige net van World Trade Centres (reeds gebouwd : New York, Tokyo, New Orleans, Seoel, Wellington, Brussel; in aanbouw : London, Madrid; gepland : Amsterdam, Rotterdam, New Delhi, Parijs, Singapoer, Antwerpen). Nochtans zijn er, volgens « The Economist », slechts weinig mensen in de zakenwereld of in regeringskringen, die weten wat een World Trade Centre is; nog zeldzamer zijn diegenen, die een mening hebben over het al dan niet goed zijn van dergelijke centra.

Volgens « The Economist » is de idee uiterst eenvoudig. Door de concentratie op één plaats van de voor de zakenwereld noodzakelijke faciliteiten, kan tijd en geld gespaard worden. De centra beschikken over lokalen voor kantoren, tentoonstellingszalen, vergaderzalen, de nodige dienstverlening (post, telex, secretariaat, enz.). In sommige centra zijn hotels ondergebracht, evenals ontspanningsgelegenheden. In het laatste stadium moeten de World Trade Centres allen onderling verbonden worden door rechtstreekse telefoonlijnen en privé-televisiecircuits, zodat vergaderingen kunnen plaatsvinden in verscheidene centra tegelijkertijd. Een wereldbank voor de electronische opslag van commerciële gegevens en contacten, met een ogenblikkelijk antwoord via satellieten, zal in elk centrum beschikbaar zíjn. Deze plannen werden ontworpen door de Vereniging der World Trade Centres.

De mening kan geopperd worden, dat het hoog tijd is dat de concentratie en inschakeling van dergelijke installaties ten gunste van multinationale commerciële instellingen wordt gecompenseerd door de oprichting van een parallel net tot bevordering van de werking der internationale programma's van de intergouvernementele en vrijwilligersverenigingen.

III. Informatie en Communicatie

Het probleem en enkele suggesties

Per definitie hebben de internationale organisaties te maken met de noodzaak tot communicatie over zeer grote afstanden. De doelmatigheid van deze communicatie is van vitaal belang voor een efficiënte werking van de organisatie en haar programma's. De « afstanden » in kwestie zijn niet alleen van fysische aard. Verscheidene hinderpalen voor de communicatie worden hieronder samengevat :

  • geografische afstand, d.w.z., het probleem van de communicatie tussen bureaus van één zelfde organisatie, die echter in verschillende continenten en in andere gewesten gevestigd zíjn (postzendingen over zee vragen soms verscheidene maanden). De doeltreffendheid zou aanzienlijk kunnen verhoogd worden, dank zij de invoering van gesubsidieerde diensten. Zo zouden bij voorbeeld de kosten van de telefoonverbindingen tussen de transnationale centra van New York, Genève, Bangkok en Nairobi, kunnen gesubsidieerd worden (het tarief voor lange-afstandstelefoonverbindingen, « ATS », dat in de Verenigde Staten wordt toegepast, is een interessant model). Telexverbindingen zouden eveneens kunnen tot stand gebracht worden. De kosten voor deze verbindingen zouden trouwens heel wat lager liggen, wanneer de organisaties dezelfde telexdienst in een transnationaal centrum zouden gebruiken.
  • toegangsrecht, d.w.z. dat, wanneer een gesubsidieerde informatiedienst kan bestaan (hetzij telefoon of een informatiecentrum), de toegang beperkt kan worden tot een zeer geringe groep gebruikers (bij voorbeeld de Voorlichtingsdienst voor het Milieuprogramma der Verenigde Naties, die slechts gebruikt kan worden door de vertegenwoordigers der regeringen, alhoewel de meeste gegevens afkomstig zijn uit niet-gouvernementele bron). Er moet een liberaler beleid inzake toegangsrecht gevoerd worden.
  • opsporen van sleutelcontacten. De impulskracht, die uitgaat van de werking van een NGO, zou op geen enkel ogenblik mogen verloren gaan, want het is onmogelijk het adres te verkrijgen of contact op te nemen met een persoon of een organisatie (al dan niet bekend), die verantwoordelijk zijn voor een bepaald onderwerp of programma. Dit is niet alleen van toepassing op de enkelvoudige contacten, maar ook op de meervoudige (bij voorbeeld het vinden van personen of instellingen, die mogelijkerwijze wensen deel te nemen aan een bepaald project, het aanleggen van een adressenlijst voor de verspreiding van een actienota, gedurende één of andere crisis).

Een eerste tussenoplossing zou kunnen liggen in een keten van centra voor internationale referentiegegevens.

  • grenzen tussen de organisaties. Elke internationale organisatie zou er volledig van moeten overtuigd worden, dat ze onmiddellijk zal ingelicht worden over de volgende « stadia » betreffende een behaald thema :
  • voorstel voor een congres of uitnodiging tot deelname hieraan;
  • voorstellen met het oog op een programma of de werking volgens een programma;
  • voorstel tot oprichting van een organisatie;
  • verslagen of documenten;
  • resoluties;
  • namen en adressen (wanneer ze niet vertrouwelijk zijn) van personen of organisaties, die zich met een bepaald onderwerp bezig houden;
  • mogelijkheden voor contracten of beschikbare middelen voor de programma's.

Bovendien moet elke NGO ervan overtuigd worden, dat, wanneer een nieuw probleem ontstaat in de lijn van de onderwerpen die op de één of andere manier haar belangensfeer raakt, dit automatisch zal meegedeeld worden, zodat de NGO gegevens kan inwinnen over alles wat betrekking heeft op dit nieuwe onderwerp, naarmate deze gegevens al dan niet tot haar werksfeer behoren.

Bovendien, gezien de groeiende complexiteit en het jargon dat in de uitgaven en de verslagen tussen twee uitgaven in wordt gebruikt, evenals omwille van een voortdurende bijwerking, moet elke NGO ervan verzekerd zijn, dat, wanneer het systeem publicaties en notulen meedeelt, die, al wordt verondersteld dat zij een bepaalde belangensfeer raken, niet te begrijpen zouden zijn, dat dan het systeem kan worden gebruikt om de bestaande relatie met de genoemde belangensfeer te verduidelijken, door gebruik te maken van de audio-visuele onderrichtstechnieken.

Elke NGO zou in staat moeten zijn gebruik te maken van een zo complex informatiesysteem, in het bewustzijn dat de kosten van de invoering van een informatie in het systeem door een NGO, eerlijk zullen worden verdeeld onder de NGO (die bepaalde categorieën van personen en organisaties willen informeren) en de personen en organisaties (die de informaties over het onderwerp in kwestie wensen te ontvangen). Wanneer bovendien zou blijken dat de middelen van de NGO of van de organen die de informatie wensen te ontvangen (d.w.z. de organen, die over weinig middelen beschikken of aan de grens liggen van de belangensfeer, bekeken vanuit het standpunt van de zender) niet de verzekering zouden kunnen geven dat de informatie zal worden doorgegeven, onmiddellijk een beroep zou gedaan worden op de middelen van de agentschappen die de communicaties over het onderwerp in kwestie willen subsidiëren, om aldus het contact te onderhouden met een zo groot mogelijk aantal organisaties.

Het is mogelijk informatiesystemen uit te werken, die steunen op het gebruik van een computer, als hulp bij dit proces van uitwisseling van gegevens. Het mogen geen dure en technologisch zeer hoogstaande systemen zijn; zij kunnen trouwens gebruik maken van de bestaande installaties (6). De gebruikelijke manieren waarop de internationale gouvernementele organisaties dit uitvoeren of willen uitvoeren, bieden de niet-gouvernementele instanties geen toegang tot deze informaties.

Opmerkenswaard is bij voorbeeld een studie van UN Capacity Study, Judge Anthony, International Organizations and the Generation of the Will to Change; Information Systems Required (De internationale organisaties en het ontstaan van de wil tot verandering; vereiste informatiesystemen), Brussel, Unie der Internationale Verenigingen, 1970, evenals : Judge, A.I.N., Acquisition and Organization of International Documentation Panel Report to a 1972 UNITAR Symposium (Aanleggen en inzamelen van internationale documentatie Rapport van het Bureau voor een UNITAR-Symposium 1972), Genève, UNITAR 1972. Voor de mogelijkheden van een dergelijk systeem, zelfs exclusief, zie United Nations Association of the USA, Communications spatiales; réponse croissante des NU aux problèmes de l'humanité (New York, UN/USA, 1972).

Nochtans zullen de gegevens over deze laatste worden geregistreerd, om gepubliceerd en gebruikt te kunnen worden. Deze strategie zal zichzelf op lange termijn vernietigen.

Gevaren

Elke verhoging van de doeltreffendheid van de informatiesystemen houdt ook gevaren in, o.m. :

  • Het bestaan alleen al van een dergelijk systeem kan leiden tot het ontstaan van een elite van gebruikers, waarbij heel wat organisaties en personen worden uitgesloten, omwille van de prijs of om andere redenen (waardoor de kloof tussen de ontwikkelde gebieden en de ontwikkelingsgebieden nog wijder wordt).
  • Wanneer niet met de grootste zorgvuldigheid erover wordt gewaakt dat het systeem zo mobiel, open en democratisch als mogelijk zou zijn, kan het in handen vallen van op macht beluste groepen, die het, vaak onbewust, zouden misbruiken.

IV. Nieuwe Organisatietypes

Het coördinatieprobleem

De versnippering, het wantrouwen, de arbeidsverspilling, de zinloze concurrentie voor het verkrijgen van beperkte middelen, het bewuste of onbewuste verzet tegen wijzigingen of nieuwe activiteitstypes, die steeds meer kenmerkend zijn voor de relaties tussen de organisaties, duiden op de noodzaak van een nieuw type van sociale entiteit.

De verbonden van organisaties of zelfs de groepen van individuen, als gebruikelijke oplossing voor deze malaise, worden als zovele bedreigingen van de autonomie en de vrijheid van handelen van de leden in kwestie beschouwd, behalve wanneer de groepering een zeer specifieke functie waarneemt (in dit geval is haar coördinatievermogen eerder beperkt). De leden willen niet dat een uitspraak uit hun naam wordt gedaan, behalve over zeer specifieke resoluties, waaraan zij hun goedkeuring hebben gehecht.

Is het niet de hoogste tijd dat wij een onderzoek instellen naar het postulaat dat wil dat de « organisaties » zoals wij die vandaag kennen -- en zij verschillen niet wezenlijk van de eerste enkele eeuwen geleden opgerichte verenigingen en maatschappijen met beperkte aansprakelijkheid — de enig mogelijke vorm van organisatie van de sociale activiteit zouden zijn ? Dit is een onvoorstelbaar gebrek aan evolutie in een samenleving, die verder gekenmerkt wordt door wijzigingen op alle gebieden.

Suggestie ten gunste van het gebruik van « potentiële vennootschappen »

Misschien is het mogelijk de kloof van de betrekkingen tussen de organisaties evenals de wettelijke erkenning van deze entiteiten te dempen door de oprichting van een nieuw type van sociale entiteit.

Bij wijze van eerste suggestie, willen wij voorstellen waarom niet wordt opgericht (of liever uitgedacht), wat zou kunnen genoemd worden, een « potentiële vennootschap » (in tegenstelling tot de « naamloze vennootschap »). Een dergelijke vennootschap of vereniging zou, door haar aard zelf, geen leden hebben, in de zin van individuen of collectiviteiten, die gemeenschappelijk een bijzonder geheel van opinies onderschrijven of op de één of andere manier, via verkiezingen, vertegenwoordigd zijn. De band tussen hen zou los zijn, bijna onbestaande zelfs, om elke aanslag op hun autonomie te vermijden. De groepen of personen die via een potentiële vennootschap bij elkaar zouden gebracht worden, zouden deze band handhaven, gewoon omdat zij, vanuit een centraal punt, de inlichtingen zouden ontvangen over de onderwerpen die hen aanbelangen, hetzij tegen betaling, of onder de vorm van een gesubsidieerde dienstverlening.

Dergelijke centra, die elk als het secretariaat van een potentiële vennootschap zouden werken, zouden gelijk welke bestaande organisatievorm kunnen aannemen — het feit dat zij gegevens verstrekken (bij voorbeeld per abonnement) aan een lijst van personen of organisaties, zou daarom nog niet betekenen dat er één of andere lidmaatschapsband zou bestaan.

Maar, en hier ligt het verschil met de talrijke verdelingen van informaties die nu plaatsvinden, het secretariaat zou er op toezien dat elke « potentiële vennoot » of « inschrijver » geregeld en snel zou ingelicht worden over de identiteit en het « belangen »-niveau of de « wens tot handelen » van de andere vennoten, voor elk nieuw onderwerp of elke nieuwe uitgave (die tot de sector van die potentiële vennootschap behoort) waarvoor hij zijn belangstelling heeft laten blijken (of zijn wil tot handelen of het besteden van middelen, enz...).

Elke vennoot heeft dus een integraal overzicht, dat elke week wordt aangevuld, bij voorbeeld met de nieuwe mogelijkheden voor een gemeenschappelijk optreden, die voor hem openstaan.

Het contact over dergelijke onderwerpen tussen een zelf verkozen groep vennoten uit de « pool » van vennoten, wordt vergemakkelijkt door het secretariaat. Dit kan gebeuren in de vorm van een lijst (van namen en adressen van alle vennoten, die dezelfde belangstelling of dezelfde mate van belangstelling hebben getoond voor een bepaald onderwerp), die aan elke persoon van diezelfde lijst wordt toegezonden, die zelfs zodanig zou kunnen uitgebreid worden, dat op de lijst een persoon wordt aangeduid voor het verzorgen van de contacten. Een dergelijke, beperkte en tijdelijke groep kan dan op tamelijk zelfstandige wijze beslissen welke vorm van organisatie of gemeenschappelijke actie zij wil volgen (d.w.z. officieel of officieus, met of zonder winstbejag, « on-off »-vergadering, organisatie, gemeenschappelijke brief, delegatie, enz...) voor de duur van de periode, waarin het gemeenschappelijk belang in dat onderwerp zal blijven bestaan. Het centrale secretariaat van een potentiële vennootschap kan dan in bepaalde gevallen de meest geschikte administratieve structuur blijken te zijn voor het uitoefenen van de secretariaatsfunctie voor de bijzondere, tijdelijke groep.

Op die manier vergemakkelijkt en versnelt het bestaan van bet secretariaat voortdurend de oprichting en de tot stand koming van een groot aantal tijdelijke groepen, die vanzelf ontstaan in de globale pool van autonome vennoten, die, wanneer de activiteit waarvoor zij werd opgericht beëindigd is, weer terugkomen in de pool. Het is duidelijk dat een bepaalde vennoot op elk ogenblik in aanmerking kan komen om « lid » te worden van een aantal van dergelijke tijdelijke groepen, waaronder verschillen kunnen bestaan inzake oprichting, mate van doeltreffendheid, gouvernementeel karakter, continuïteit, mate van permanent bestaan, vermogen tot engagement van de leden, de programmatypes, enz... Deze gespecialiseerde groepen kunnen op een volkomen normale manier leiden tot de geboorte van een eigen informatiesysteem of administratief apparaat, terwijl de vennoten in werkelijkheid misschien geen enkele band meer hebben met de potentiële vennootschap waaruit de tijdelijke groep ontstond. De vennoten kunnen zelfs zelf een meer gespecialiseerde potentiële vennootschap oprichten, maar de autonomie van de vennoot komt geen enkel ogenblik in het gedrang, wanneer hij niet rechstreeks zijn akkoord heeft gegeven over de specifieke resolutie.

Voorbeelden

De « potentiële vennootschap » is een ontwikkeling die slechts iets verder ligt dan de huidige praktijk. Dat is bemoedigend, in die zin, dat hieruit blijkt dat deze vernieuwing niet zo groot zal zijn, dat het gebruik ervan in het gedrang komt. Hierna volgen enkele voorbeelden van in aanmerking komende organisatietechnieken : ad-hoc-comité's en werkgroepen, gebruik van een « topgroep » met een duidelijke taak, in de complexe organisaties, om aldus een samenwerking over de juridische grenzen heen te bereiken (dit is sterk ontwikkeld in de International Telephone and Telegraph Corporation bij voorbeeld), « onzichtbare colleges » van wetenschapsmensen, tijdelijke verenigingen, contactgroepen voor natuurrampen en crises, « situatiegroepen », voor de personen die tegelijkertijd dezelfde situatie beleven (Zie Alvin Toffler : Le Choc du futur (Future Shock), Londen, 1970, p. 133, (Organisations éphémères), p. 340-3 (groupes de situation).; Zie ook : G.P. Speeckaert. Les associations momentanées d'organisations internationales. Associations internationales, 1971, 4, p. 205-217.) en werkgroepen van NGO met een raadgevend statuut bij de Economische en Sociale Raad:

« Gezien het stijgend verlangen van een aantal NGO om te vergaderen onder de auspiciën van de Economische en Sociale Raad of van zijn instellingen, om overleg te plegen over specifieke problemen, wint een nieuwe handelwijze stilaan meer veld. Zonder het basisconcept te wijzigen, heeft de conferentie aanvaard dat zijzelf of haar Bureau kan optreden als orgaan voor het beleggen van de vergaderingen van raadgevende NGO, die willen vergaderen, overleg plegen of samenwerken voor bepaalde zaken. De Conferentie of haar Bureau kunnen echter geenzins aansprakelijk gesteld worden voor de aldus gevormde groepen. Deze methode, die ongetwijfeld kan uitgebreid en veralgemeend worden, stuit op geen enkel bezwaar, zolang een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de definitie van de bevoegdheid, het optreden en de verantwoordelijkheid van de Conferentie en het Bureau enerzijds en die van de ad hoc-NGO-samenwerkingsgroepen of -comité's anderzijds. (Studie over de doelstellingen en de structurele organisatie van de conferentie der NGO met raadgevend statuut bij de ECOSOC. IIealgemene conferentie des NGO met raadgevend statuut bij de ECOSOC, Genève, 1959, II/GC°19, p. 9-10).

Voordelen

Deze technieken bieden nochtans heel wat belangrijke voordelen. In de eerste plaats krijgt de potentiële vennootschap een sociale erkenning, zij wordt een sociaal fenomeen dat kan geïdentificeerd, besproken en verbeterd worden. De op dit ogenblik bekende procédé's, die leiden tot het ontstaan van deze groepen, ontstaan toevallig, op een willekeurige en inefficiënte manier (tot grote wanhoop van de leden, die bij hun uiteindelijke ontmoeting moeten constateren dat de inspanningen tevergeefs waren). Tot nog toe werd geen enkel informatiesysteem ontworpen om dit soort contacten te vergemakkelijken; wat er het meest op lijkt is het systeem van persuittreksels, dat omslachtig, duur, sterk gespecialiseerd en op een bepaalde richting afgestemd is. In de tweede plaats kan zij als zelfstandige organisatievorm fungeren voor organisaties, die tot nog toe geheel of gedeeltelijk geïsoleerd waren — in dit opzicht verhoogt zij het ritme, de mogelijkheden en de soepelheid van de georganiseerde activiteit. In de derde plaats, wanneer we het begrip van een groep van organen of personen, die volgens verschillende tijdelijke types kunnen samensluiten, objectief bekijken, is het minder nodig de aandacht op de bestaande organisaties toe te spitsen (met hun tendens tot zelfoverleving en hun neiging tot verzet tegen veranderingen) ten gunste van de erkenning van de hele gamma van potentiële wijzen, waarop de samenstellende entiteiten kunnen samengaan, als reactie op nieuwe omstandigheden. Aldus is een goed ontworpen en dynamisch sociaal kader gevonden voor de gebruikelijke organisaties.

Terwijl de samenleving dus door toepassing van een dergelijke techniek een sterk geordend geheel kan worden op gelijk welk ogenblik — overeenkomstig de eisen inzake stabiliteit op korte termijn — is de grote mogelijkheid om op volledig andere modellen over te schakelen op andere ogenblikken, de essentiële « avontuurlijke » voorwaarde voor het bevorderen van sociale veranderingen en de ontwikkeling in functie van nieuwe omstandigheden. In dit verband willen wij de mening weergeven van professor Johan Galtung over de betekenis van deze hoge entropie voor de wereldvrede :

« Bijgevolg is de algemene formule de volgende : verhogen van de wereldentropie, d.w.z. uitbreiden van de wanorde, de knoeiboel, het avontuur, het onderwachte — vermijden van duidelijkheid, eenvoud, het werkelijk voorspelbare, overdreven orde. Wanneer dit uitgedrukt wordt in een formule, schijnt dit bijna alles te bevatten, wat vandaag doorgaat voor een beschouwing over de vrede, vooral in de wereld der verenigingen » (Johan Galtung). Entropy and the general Theory of Peace. Proceedings of the International Peace Research Association, Second Conference, Assen, Van Gorcum, 1968; = De entropie en de algemene vredestheorie, Tweede Congres, Assen, Van Gorcum, 1968; (eveneens gepubliceerd als Hoofdstuk 5 van Vredestheorieën, opgesteld voor de UNESCO, onder contract met de IPRA). M.a.w., we beschikken over een middel om op elk ogenblik een sterke sociale stabilireit te verzekeren, met een zekere toekomstvisie of, andere en paradoxale mogelijkheid, we kunnen dit beschouwen als een potentiële, sterk geordende situatie (d.w.z. niet verwezenlijkbaar) in de tijd, die een opeenvolging van sterk wanordelijke situatie omvat. Het voordeel hiervan is dat de aan de macht zijnde personen en groepen zich geen feodale rol in de potentiële structuren kunnen toeëigenen. (Zie hierover Johan Galtung. Feudal systems, structural violence and the structural theory of revolutions = Feodaal systeem, structureel geweld en de structurele revolutietheorie. Debatten van de IPRA, 3eCongres, Assen, Van Gorcum, 1971).

In de vierde plaats zien wij dat, op een ogenblik waarop de nood aan een grotere participatie tot uiting komt, de « potentiële vennootschap » ontstaat uit een systeem van potentiële relaties tussen vennoten die elkaar kennen (d.w.z., niet anoniem).

De tijdelijke organen, waaraan die vennoot niet deelneemt, zijn hem niet helemaal vreemd (voor zover zij van dezelfde potentiële vennootschap uitgaan); het vervreemdend effect van een traditionele organisatie is dus minder groot.

Op te merken valt dat het aantal vennoten van een potentiële vennootschap absoluut niet beperkt is, evenmin als de manier waarop die verenigingen onderverdeeld zijn en mekaar overlappen (de mogelijke beperkingen waaraan men zou kunnen denken, zijn misschien de totale wereldbevolking en het totaal aantal groepen).

Zo worden eveneens twee andere netelige problemen vermeden :

a) Het heeft niet langer belang een wettelijk statuut te verkrijgen, want de vereniging als dusdanig « bestaat niet » op dat ogenblik, in een tastbare vorm — Zij bestaat slechts potentieel (vandaar de benaming « potentiële vennootschap ») als een mogelijkheid in de toekomst en gedeeltelijk ook omdat door één van de talloze combinaties van submodellen, die door bijzondere omstandigheden kunnen ontstaan, — het zijn deze submodellen die een vorm kunnen aannemen, waarbij het voordelig kan zijn een bepaald soort wettelijk statuut te bezitten, tijdens hun meestal beperkte bestaan — het nochtans nutteloos is dat zij elkaar « erkennen » of door niet-leden-vennoten worden erkend. b) De controle door het centraal secretariaat is niet het knelpunt, dat zij in een normale organisatie wel kan zijn. De werking ervan zou zelfs kunnen verzekerd worden onder contract of door een organisatie, die helemaal niets te maken heeft met de tijdelijke groepen die op basis van de potentiële vennootschap ontstaan. De controle kan in de handen gelegd worden van enkele of van alle vennoten, die, uitsluitend voor dit administratieve doel, een groep met beperkte aansprakelijkheid zouden vormen of zelfs een soort « Comittee of the Whole » (Comité van het Geheel), een door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties gebruikte techniek. Anderzijds zouden de minimale administratieve verhandelingen kunnen verzorgd worden als een normale abonnentendienst, door tijdschriften; elke overlapping van dergelijke diensten aan gemeenschappelijke vennoten zou hun doeltreffendheid slechts bevestigen.

Impliciet zouden de organen op elk niveau, gouvernementele en nietgouvernementele, met of zonder winstbejag, even zoveel vennoten van dezelfde potentiële vennootschap kunnen worden. De kans dat een bepaald model evolueert tot een gemeenschappelijke effectieve, ad-hoc, officiële of officieuze groep zou bepaald worden door onderhandelingen, als een aspect van het « leven » der potentiële vennootschappen in termen van politieke of andere omstandigheden, voor het voorgestelde model, gedurende de periode in kwestie . Er kan gespeculeerd worden over de resultaten van de omvorming in potentiële vennootschap, van de duizenden organisaties, die het systeem der Verenigde Naties vormen. Hetzelfde geldt voor het niet-gouvernementeel systeem op elk niveau.

Gevolgen voor de Verenigde Naties

Het moet duidelijk zijn dat juist dit soort methodes een constant, zeer hoog en zeer soepel niveau van wisselwerking verzekert, die een maximum aan nieuwe zelfgecoördineerde, geëngageerde en geparticipeerde activiteit vanwege de vennoten der potentiële vennootschappen in het leven roept.

Het is dit soort proces, dat door de UNO zou kunnen versneld worden, om de activiteit te verhogen, met betrekking tot de ontwikkeling, de vrede en andere doelstellingen van VN-programma's. Dit zou kunnen gebeuren op lokaal en nationaal niveau, waar de belangencentra zich bevinden, om de wisselwerking aan de basis te intensifiëren, met dien verstande dat deze methode op een natuurlijke en volledig aanvaarde wijze veld zal winnen en zich ook zal uitstrekken tot het internationaal niveau en van de ontwikkelde landen naar de ontwikkelingslanden. Dit zou kunnen gebeuren zonder dat de VN aansprakelijk moeten zijn voor de organisatie, de controle of de politieke implicaties van een gemeenschappelijke activiteit, die aldus zou ontstaan, tenzij wanneer de deelname van een afdeling van een gespecialiseerd Agentschap, als vennoot bij een bepaalde activiteit, wenselijk lijkt. Dank zij de toename van het absoluut belang van deze wisselwerking, zal een maximale samenwerking en de steun van de subgroep aan de VN-programma's verzekerd zijn.

Voor specifieke voorstellen betreffende het gebruik van computers, ter vergemakkelijking van de wisselwerking op interen intra-organisationeel gebied, zie A.J.N. Judge. Information systems and interorganizational space. In : Annals of the American Academy of Political and Social Science Association, Special Issue on Social Intelligence (for Development), Winter 1970-71. Zie ook: International Organizations and the Generation of the Will to Change; information systems required. Brussel, Unie der Internationale Verenigingen, 1970 (INF/5).

V. Wijzigingen in de Intergouvernmentele Secretariaten

Het probleem

Op dit ogenblik bestaat geen voldoende unaniem akkoord over wijzigingen die nochtans noodzakelijk zijn om de niet-gouvernementele actie te vergemakkelijken. Dit geldt vooral de relaties tussen organen, die deel uitmaken van het systeem der Verenigde Naties :

  • in de diverse departementen van een Secretariaat (bij voorbeeld Voorlichtingsbureau of Verbindingsafdeling der NGO)
  • tussen organen, die verslag uitbrengen aan de Algemene Vergadering der VN (bij voorbeeld ECOSOC en Ontwikkelingsprogramma der Verenigde Naties)
  • tussen organen die verslag uitbrengen aan diverse organisaties, ondanks het mandaat van de ECOSOC tot bestudering van deze relaties (bij voorbeeld FAO en UNESCO).

Suggesties

De waarschijnlijkheid dat één van de volgende suggesties zou worden uitgevoerd in een intergouvernementeel secretariaat is dus omgekeerd evenredig met het aantal organen, die hieraan hun goedkeuring moeten hechten. Zelfs al kunnen zij echter niet verwezenlijkt worden, toch kan het nuttig zijn enkele ervan als richtlijn voor de beschouwingen over een niet te verafgelegen toekomst te benutten, wanneer de internationale zelfgenoegzaamheid sterk zal geschokt zijn door de economische en sociale realiteit :

1) Bevorderen van de actie der NGO.

  • _ het vervullen van de rol van telefoonjuffrouw, voor de programmavoorstellen vanwege de NGO.
  • _ de NGO helpen om hun voorstellen aan de afdelingsverantwoordelijken der Agentschappen duidelijk te maken (vooral voor de voorstellen, die betrekking hebben op verscheidene sectoren en verscheidene disciplines).

2) Voorlichting over de programma's.

  • maatregelen treffen opdat de NGO zouden opgenomen worden in alle (zo talrijke) adreslijsten der gespecialiseerde Agentschappen voor de verspreiding van documenten en geregeld het distributieprofiel van elke NGO herzien. Voorstellen van de documententatieformulieren en -brochures die door de NGO moeten aangekocht worden.
  • van de NGO een geregeld verslag ontvangen over hun activiteiten, vooral die, die verband houden met de VN-programma's en ze classificeren.
  • een informatiesysteem op gang brengen, dat de contacten tussen NGO onderling en tussen NGO en VN-afdelingen moet vergemakkelijken, over hun gemeenschappelijke belangen in specifieke programma's (zie vorige titel).
  • voorlichtingsnota's over de comité's bezorgen aan de verantwoordelijken en aan de afgevaardigden (vooral aan de pas verkozen afgevaardigden), over de NGO aan de nieuwe afgevaardigden en over de VN-procedures aan de nieuwe vertegenwoordigers der NGO.
  • zorgen voor de participatie der NGO, zowel als gegeven in de informatiesystemen als als gebruikers van die gegevens (vooral in de systemen, die worden gebruikt door de Interorganisationele Commissie voor de Informatiesystemen en Aanverwante Activiteiten).

3) Bevordering van de contacten tussen NGO.

  • uitwerken van modellen van internationale centra voor de vestiging van de kantoren van een brede gamma van instellingen der Verenigde Naties en der NGO, die zich met programma's in een bepaald (ontwikkelings) land bezig houden (zie vorige titel), om een « kritische bevoegdheidsmassa » in elk land te vormen.

4) Public Relations-activiteiten voor rekening van de NGO.

  • de functies vervullen van public relations aangaande de mogelijke rol der NGO t.o.v. de Verenigde Naties (niet alleen bij de INGO, maar ook bij de regeringen, de Agentschapssecretariaten, het (bij voorbeeld door de Koerier van de Unesco en door de nationale NGO) geïnformeerde publiek.
  • uitgifte van één enkele informatiepublicatie der NGO, bestemd voor de hele VN-familie.
  • ervoor zorgen dat de NGO voorkomen in de public relations betreffende de Verenigde Naties (bij voorbeeld bezoek der Verenigde Naties en der Agentschappen, bibliotheken der VN, enz...).
  • in de ontwikkelingslanden vergaderingen stimuleren, waarop de rol der NGO wordt voorgesteld en uitgelegd en hun functies en handelwijze ¡n bepaalde omstandigheden worden bestudeerd.
  • er mee voor ijveren dat de vrijwilligersgroepen en de NGO op organisationeel gebied worden beschouwd als deel uitmakend van een Derde Wereld, wanneer zij te maken krijgen met de zakenwereld en de wereld der gouvernementele organisaties, een Derde Wereld dus, die moet ontwikkeld worden, met het oog op evenwichtige sociale veranderingen.

5) Studies.

  • zo mogelijk, en indien gewenst, de initiatieven steunen met het oog op het creëren van een internationaal wettelijk statuut voor de NGO, zoals dit door de UNESCO en de Raad van Europa wordt onderzocht (zie bibliografie in de 14e uitgave van het Jaarboek der Internationale Organisaties en de Bijlagen hierbij).
  • het organiseren van vergaderingen en studies van specialisten, om licht te werpen op problemen, zoals :
  • de definitie van de betekenis der NGO
  • het karakter der « NGO » in de niet-Westerse culturen
  • mogelijke nieuwe organisatietypes
  • het bestaan der NGO als indicator voor de sociale ontwikkeling
  • zorgen voor het inzamelen van statistieken over de sociale groepen op diverse lokale en nationale niveaus in de landen, om meer inzicht te brengen in de functie van deze groeperingen t.o.v. de sociale en culturele ontwikkeling.

6) Contacten met de nationale regeringen om de werking der NGO te vergemakkelijken.

  • de NGO helpen bij het oplossen van hun specifieke problemen met de nationale regeringen
  • de uitwerking van nieuwe wetten steunen, met betrekking tot de vestiging en de werking der NGO-kantoren en -programma's in een bepaald land; zich bekommeren om het wettelijk statuut der NGO-verantwoordelijken in een bepaald land (cf. het speciaal statuut der journalisten op erkende reportage)
  • het aanmoedingen van de uitwerking van modellen, m.b.t. de manier waarop de NGO kunnen verbonden worden met de nationale regeringen, naargelang de verschillende sociale stelsels (hierbij inbegrepen het raadgevend statuut op nationaal niveau).

7) Contacten met andere intergouvernementele instellingen om de werking der NGO te vergemakkelijken.

  • contact opnemen met de bureaus met raadgevend statuut in alle instellingen van het systeem der Verenigde Naties
  • het vervullen van de rol van ombudsman, voor suggesties en klachten
  • het verschaffen van een « advokaat voor de verdediging », bij elke herziening van het statuut van een NGO
  • de subsidies der NGO verdedigen, wanneer deze bij de herziening der begrotingen in het gedrang zouden komen, nieuwe subsidies voorstellen en bespreken, wanneer deze gewenst zijn
  • optreden als financieringsagentschap voor de speciale NGO-projecten, die door geen enkel ander deel van het systeem der Verenigde Naties kunnen uitgevoerd worden
  • het vervullen van de functie van « waakhond » om er op toe te zien dat de NGO, wanneer dit mogelijk is, deelnemen aan de uitwerking van programmavoorstellen en informatiesystemen en, telkens wanneer dit mogelijk is, ervoor zorgen dat een beroep wordt gedaan op de NGO bij het nemen van resoluties
  • onderhandelen opdat voor de NGO gelijkaardige faciliteiten zouden voorzien worden, als voor elk agentschap van perscorrespondenten
  • zorgen voor de contacten met de regionale organen der Verenigde Naties, aangaande hun betrekkingen met de NGO
  • de categorieën van raadgevende statuten der NGO standardiseren en de door de agentschappen toegepaste procedures herzien,

VI. Wettelijke Erkenning der Internationale Niet-Gouvernementele Organisaties

Het is belangrijk de aandacht te vestigen op het feit dat de internationale niet-gouvetnementele organisaties volgens het international recht niet bestaan (of het nu organisaties met dan wel zonder winstbejag zijn). Wettelijk gezien zijn deze organisaties vogelvrijverklaarden, die in hun werking overgeleverd zijn aan de grillen van de wetgeving van het land waarin zij zich gevestigd hebben of waarin zij proberen een programma uit te voeren.

Dit probleem werd reeds bestudeerd door de Commissie voor de juridische situatie der internationale verenigingen van het Instituut voor Internationaal Recht, in 1910. Het rapport van deze Commissie werd door N. Politis voorgesteld te Brussel, op de jubileumzitting van het Instituut in 1923 (Annuaire de l'Institue de Droit International, vol. 30, Jubileumzitting te Brussel, 1923, p. 97-173, 348-381, 385-393 (tekst van de overeenkomst : zie Bijlage). De tekst van een ontwerp-overeenkomst betreffende de juridische situatie der internationale verenigingen werd toen eenstemmig goedgekeurd (zie Bijlagen).

Een belangrijke stap werd tamelijk vroeg gezet door de Conferentie van Den Haag over het internationaal privé-recht, met als gevolg dat in 1958 een Overeenkomst werd goedgekeurd, betreffende de wettelijke erkenning der buitenlandse maatschappijen, verenigingen en stichtingen. Deze Overeenkomst werd slechts door vijf landen die aan de Conferentie deelnamen, geratificeerd. Bovendien handelt zij slechts over de erkenning en niet over de activiteiten van deze groeperingen.

De Unie der Internationale Verenigingen heeft, nadat zij de deskundigen ter zake had geraadpleegd, de Directeur-Generaal van de UNESCO, in mei 1959, een tekst voorgelegd voor een « Ontwerp-overeenkomst ter vergemakkelijking van het werk der internationale niet-gouvernementele organisaties » (zie Bijlagen). Dit leidde enkel tot enkele wijzigingen in de douane-wetgevingen betreffende het verkeer van NGO-goederen. Sedertdien werden enkele studies ondernomen door de FAO, die in 1969 uitmondden in een onderzoek van de Raad van Europa, met het oog op de voorbereiding van een Europese Overeenkomst.

Als belangrijkste mijlpalen ter zake, citeren wij verder een werk van de Europese Gemeenschap, met het oog op de uitwerking van een wetgeving voor een « Europese vennootschap (met winstbejag) ». Het Comité der Vakbondsrechten van de Internationale Arbeidsconferende (1970) heeft de volgende rechten vastgelegd (met uitzondering van de eerste twee). Het Directiebureau van de BIT heeft de Directeur-Generaal verzocht « andere studies te ondernemen en rapporten op te stellen over de wet en de rechtsgebruiken » betreffende vakverenigingen. Dergelijke initiatieven zouden ook andere pogingen ten gunste van een internationale overeenkomst over de volgende punten moeten bevorderen :

  • internationaal wettelijk statuut (al dan niet erkend door de agentschappen der Verenigde Naties) en speciaal statuut in de landen waar de organisatie haar kantoren heeft
  • recht om ingelicht te worden over programma's, problemen en organisaties, die tot haar programmaen probleemsector behoren
  • recht tot uitoefening van haar activiteiten in andere landen
  • recht tot onderhandelen en vertegenwoordigd zijn in regeringsvergaderingen, die betrekking hebben op haar speciale bevoegdheidssector
  • recht tot deelname aan de uitwerking van programma's ter bestrijding van de sociale problemen, die tot haar speciale bevoegdheidssector behoren
  • recht voor haar nationale leden (groepen) om volwaardig deel te nemen aan de internationale programma's
  • recht op onschendbaarheid van de kantoren, evenals de correspondentie en de telefoongesprekken
  • recht op bescherming van roerende en onroerende goederen tegen elk ingrijpen van de overheid
  • recht op toegang tot de massa-communicatiemedia
  • recht op bescherming tegen elke discriminatie inzake lidmaatschap en activiteiten
  • recht op toegang tot de verzoeningsen vrijwillige arbitrage-procedures
  • recht voor de leden op een aanvullende opleiding en vorming.

Al vertoont een dergelijke overeenkomst heel wat belangrijke positieve aspecten, toch is het niet zeker dat de negatieve gevolgen van een te strakke en discriminatoire overeenkomst niet meer kwaad dan goed zouden doen. Het loont de moeite het voorbeeld van België te bestuderen. Dit is nog altijd het enige land met een bijzondere wetgeving, die een gunstige erkenning en faciliteiten toekent aan internationale wetenschappelijke verenigingen (wet van 25 oktober 1919), die later (wet van 6 december 1954) werd uitgebreid tot de verenigingen, die een menslievend, godsdienstig, artistiek, pedagogisch en ander doel nastreven (zie Bijlagen).

Een ander belangrijk en hiermee verwant probleem is dat van de wettelijke plichten en rechten van het personeel der internationale niet-gouvernementele verenigingen — vooral met betrekking tot reisdocumenten, verblijfsvoorwaarden, belastingheffing, sociale zekerheid en pensioenrechten. Zolang het personeel der NGO geen geschikte werkzekerheid kan geboden worden, zullen de organisaties niet het meest geschikte personeel kunnen aantrekken en aanwerven.

VII. Sociale Erkenning

Van primordiaal belang is misschien wel de erkenning van de sociale betekenis, op alle niveaus van de samenleving, van de groeperingen en organisaties, die noch van gouvernementele, noch van commerciële afkomst zijn.

In het kader van het systeem der Verenigde Naties zou dit tot uiting kunnen komen in de afspraak dat geregeld een overzicht zou opgesteld en in de diverse statistische jaarboeken gepubliceerd worden, over het aantal en de diversiteit der verenigingen op lokaal en nationaal niveau in eik land. Dit gebeurt wel voor de gegevens over personen (Demografisch Jaarboek) zij het dan ook met meer details, musea, scholen, kranten, bioscopen, enz... (Jaarboek van de UNESCO), ziekten (WGO en FAO), enz... Hierdoor zou de nadruk gelegd worden op het sterk ontwikkelde net van groeperingen als nog bijna onontgonnen mogelijkheid voor sociale en culturele ontwikkelingshulp.


Creative Commons License
This work is licenced under a Creative Commons Licence.